18-07-06

Abdijpad

We bewandelden het Abdijpad te Tongerlo. De wandeling komt uit het mapje ‘Westerlo groen vakantieoord : wandelgids’, uitgegeven door Toeristische Federatie Provincie Antwerpen en VVV Westerlo met medewerking van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling. Het mapje bevat 12 wandelingen, voor iedere wandeling een A4’tje, aan de ene zijde een uitvergroot stafkaartuittreksel met de uitgetekende route, aan de andere zijde een routebeschrijving met geschiedenis van de bezienswaardigheden. 

Onze wandeling is 6 km lang. Houten paaltjes met een eerste-matrozenstreep op een wit vlak, wijzen de weg. Ze staan waar ze horen te staan. De wandeling start aan jeugdherberg Het Boswachtershuis. Wij pikken de wandeling op aan de abdij van Tongerlo.Vanop afstand geeft de abdij een rustieke en middeleeuwse indruk, een robuuste vesting in het schaarse open landschap. In de abdij is het kalm, Tongerlo is minder toeristisch dan Averbode, hier geen ijsjes etende medemensen. De abdij heeft iets weg van een universiteitscollege in Oxford of Cambridge. 

We verlaten de abdij aan de westkant en steken de baan naar Voortkapel over. We lopen verder langs een drukke betonnen weg. De open percelen grond die er nog overbleven, worden volgebouwd, zoals we dat in de Kempen mogen verwachten. Na een goede kilometer slaan we links een aarden dreefje in. We zijn in het gebied ‘De Beeltjens’. Links van ons ligt een (sociale) woonwijk, kinderen spelen luidruchtig in plastieken zwembadjes.

In de verte klinkt luide muziek. We kruisen mooie dreven, we komen opvallend veel fietsers tegen in het bos. We blijken middenin een fietsevenement te zitten. Gelukkig is het al wat later in de namiddag, de grootste fietsdrukte is voorbij. We komen uit aan de Asberg en pauzeren even voor een drankje uit de rugzak. We slaan de prachtige Beeltjensdreef in en wandelen tot aan de slagboom. Het is fris in het bos, ik kom hier zeker in de winter terug.

Aan de slagboom naar links en daar zien we jeugdherberg Het Boswachtershuis.  De luide muziek op de achtergrond komt van een optredend country- en bluegrassbandje. Ze doen moeite om samenhangend te spelen, de zang is niet zo denderend. Het groepje wordt door een goede banjospeler gedragen. Af en toe komen, met inspanning van de geluidsmixer, leuke deuntjes uit de boxen.

Ik drink een donkere Tongerlo van ’t vat. Een man stapt van achter een bierstalletje naar me toe. Hij stelt me voor een Flierefluiter ofte een Westelse Tripel te proeven. Ik ga op zijn aanbod in, voor een halve euro een glas Flierefluiter drinken, dat is een buitenkansje. Ik koop van hem nog een fles van 75 cl voor 2,30 euro, ook een goede slag. Hij promootte het 25-jarige bestaan van het bier. We nemen nog een kijkje bij een marktkramer met fietsbenodigdheden en vervolgen onze weg.

We lopen door een straat vol verkeersdrempels en slaan rechts een wegeltje in. We komen uit op de parking van taverne Van Overwijs. We steken een druk kruispunt over en stappen de Boerenkrijglaan in. Café Sooi van 't Hof (rechtzetting na reactie) zit afgeladen vol, er is een kermisje aan de gang. We beëindigen ons tochtje met flensjes en een tas koffie in de stijlvolle taverne Torenhof. Meer moet dat niet zijn. 

13:57 Gepost door Confusius in Vrije tijd | Permalink | Commentaren (1) | Email dit |  Facebook |

13-07-06

Bokrijk

Een lekker ouderwetse bestemming, een gezellig en rustig dagje Bokrijk.

 
 
 
 
 
 
 
  
 
 
 
 

09:35 Gepost door Confusius in Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

08-07-06

Paddekotenpad

We krijgen geen genoeg van Nijlen en we volgden het Paddekotenpad.
De bewegwijzering is in het blauw en behoorlijk. We starten onze wandeling aan de O.-L.-Vrouwkerk (1947) en zakken af in de richting van het gehucht Paddekoten.
Paddekoten ontstond in de 18de eeuw, vermoedelijk na een sterke aangroei van de bevolking. De armzalige hutten die door de allerarmsten gebouwd werden, vergeleek men met padden, omdat ze zo vies en onaantrekkelijk waren.
Wanneer men de hedendaagse Paddekoten daarmee vergelijkt, kan men best zien hoe een dubbeltje, door de eeuwen heen, rollen kan.

Deze informatie komt letterlijk uit mijn routebeschrijving en ze klopt. In de hedendaagse Paddekoten werkt de Kempenaar aan zijn status (en oprit): ‘traawe, baawe en kinnekes’. Het nieuwgebouwde huis is voorzien van ‘tellevies’, ‘afwasmachien’, en ‘droègkas’. Waslijnen zie je niet op de uitgestrekte gazons. De Kempenaar wil niet voor de stadsbewoner onderdoen.

We krijgen taverne ‘De Slappen Uier’ in het vizier. Ik las in een krantenartikel dat ze zeven bieren van het vat tappen, waaronder Blonde Ciney en Sint-Bernardus. Het water stroomt me in de mond. Al likkebaardend bots ik tegen de gesloten, glazen toegangsdeur. Op vrijdag opent de taverne maar vanaf 16 uur. Tiens, ik had iets anders op de website gelezen, tijdens de maanden juli en augustus alle dagen open vanaf 9.30 u. Ik begin aan mezelf te twijfelen, dada lekkere biertjes. Ik stuur diezelfde avond een e-mail naar "De Slappen Uier". Uitbater Jan reageert sportief, verontschuldigt zich en biedt me een gratis Sint-Bernardus aan. Hihihi, ik had toch gelijk.

We wandelen de dijk van de Kleine Nete op. Fietsknooppuntbordjes alom. De Kempenaar fietst graag. Ondanks zijn egoïstisch rijgedrag met de auto, spaart hij de fietser, ontwijkt hij de fietser omzichtig. Zeer paradoxaal, want de voetganger daarentegen, is in zijn ogen maar een minderwaardige mensensoort.
We lopen een drietal kilometer op de Netedijk, we genieten van het uitzicht, evenwijdig raast het verkeer op de Boudewijnsnelweg ons voorbij. We spelen enkele raadselspelletjes.

Aan het Derde Sas, een oude en vervallen sluis, verlaten we de Kleine Nete. We zien het Sashuis, het buitenverblijf van wijlen Lia Timmermans, dochter van de Felix. We komen in een degoutante villawijk terecht, ik waan me in Sint-Martens-Latem. Naar verluidt wonen hier rijke diamantairs. Wie het breed heeft, laat het breed hangen. Een pasgebouwde villa in Franse stijl staat reeds te koop. Blijkbaar maakt geld niet gelukkig (maar gelukkig wordt er geld gemaakt). In het aangrenzende dennenbos worden nieuwe villagronden voor verkaveling klaargemaakt.
We beëindigen de wandeling.

Mijn gezelschap is zot van zwembaden en we begeven ons naar het zwembad van Nijlen voor een eerste kennismaking. We keren tevreden van onze zwembeurt terug. Het zwembad is heel net, hygiënisch, kleedhokjes in pastelkleuren. Ik drink een ‘bolleke Koninck’ in de zwembadcafetaria. Ik ontvang een kraslotje dat me op een bijkomend, gratis bolleke recht geeft. De cafetaria heeft nog kriek, donkere en blonde Leffe van ’t vat. Om te eten, moet je er niet heen, de porties zijn schraal.

De dag erna fietsen we via fietsknooppunten naar Nijlen. De tocht verloopt langs rustige, beboste wegen en eindigt aan taverne ‘De Slappen Uier’. De baas herinnert zich zijn belofte en ik drink een gratis Sint-Bernardus van ’t vat. We bedanken hem uitgebreid. Hier komen we zeker terug.

19:20 Gepost door Confusius in Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |

Steynenhofpad

We bewandelden het Stynenhofpad te Bevel. Bevel is een slaperig dorpje, deelgemeente van Nijlen, in de Antwerpse Kempen.
De wandeling komt uit het mapje ‘Toeristische wandelgids Nijlen’, uitgegeven door Gemeentebestuur Nijlen, met medewerking van Toerisme Provincie Antwerpen. Het verzorgde mapje bevat 10 wandelingen en kost 4 euro. Iedere wandeling is op een apart A4’tje gedrukt, aan de ene zijde een uitvergroot stafkaartuittreksel met de uitgetekende wandelroute, aan de andere zijde een gedetailleerde routebeschrijving met anekdotische weetjes.
Onze route is in het oker weergegeven en dit veronderstelt dat we onderweg okerkleurige pijltjes tegenkomen. De bewegwijzering van deze wandeling is ondermaats, de wegwijzertjes bevinden zich in halfvergane toestand.

Bevel is nog heel landelijk. De verkavelingsdrang heeft er voorlopig nog niet toegeslagen. Voorlopig, want de bouwwoede van de Kempenaar is legendarisch. Iedere Kempenaar wordt met een snelbouwsteen in de maag geboren en krijgt minstens eenmaal in zijn leven met een oprittencomlex af te rekenen.
We lopen op overwegend smalle betonbaantjes, tussen de velden, hier en daar wat bebossing. Af en toe passeert een auto, een tractor, een gepensioneerde fietser die ons aandachtig in zich opneemt.
Een vader, fietsend met zijn vier kinderen, krijgt ons in het oog. Hij zegt tegen zijn kroost: "kijk, daar zijn twee trekkers!". Ik wil hem toeroepen dat we al geruime tijd poepen, maar mijn gezelschap gebiedt me te zwijgen. De kinderen gapen ons aan alsof we buitenaardse wezens zijn, ik kijk buitenaards terug.

De nieuwgebouwde huizen die we zien zijn mooi, voorzien van twee garages, riante gazons, uitgebreide aanplantingen, kinderspeelgoed in de tuin, het domein al dan niet bewaakt door een loslopende hond. De Kempenaar is statusgevoelig, schone schijn die hij per se wil hooghouden.
Bloedzuigende insecten plagen ons. Ze naderen ons langs achter en proberen ons in de kuiten te treffen. Slim bekeken van die beesten.
Plots horen we een onheilspellend gegrom. We verwachten ieder moment een opdoemend landbouwwerktuig. De spieren staan gespannen om onmiddellijk in de berm te springen, want de ervaring heeft me geleerd dat die tuigen nietsontziend zijn. Maar het geronk komt van een Junker, een Duitse bommenwerper uit de Tweede Wereldoorlog, Tante Ju voor de vrienden. Wat een zeldzaam toeval.

Na een viertal kilometer wordt de omgeving bosrijker, mijn routebeschrijving heeft het over het kasteel ‘Stynenhof’ en raadt aan een kijkje te nemen. We merken aan het begin van de toegangsdreef bordjes met ‘verboden toegang’ en ‘privédomein’. We zien van ons voornemen af, we willen geen bloeddorstige honden aan ons broek.
We komen uit aan de Kruiskensberg, een bedevaartsoord sinds 1260. Er staat een groot ijzeren kruis (1956), een kapel (1861), een kruisweg met zeven gemetselde kapelletjes (1895), vijf waterputten ter ere van de vijf wonden van Christus (1691). Op Goede Vrijdag zou de toeloop van bedevaarders hier zeer groot zijn. We doen wat filosofisch over het atheïsme en gelijkaardige onderwerpen.
Een eindje verderop zien we een knielende, bebaarde man met zijn gezicht naar het oosten. We vermoeden dat hij een biddende moslim is. We vervolgen onze weg.

We stappen af in café ’t Kruiske en nemen op het achterliggende terras plaats. Ik laat mij een donkere Grimbergen van het vat smaken, mijn gezelschap geniet van een fris glaasje appelsap. De biddende, mediterende man van zo-even strijkt er ook neer. Hij is een ordinaire landloper, lange baard, brilletje, onverzorgd. Ondanks het warme weer draagt hij een wollen muts en een lange jas. Zijn hele hebben en houden zeult hij mee in een herbruikbare winkeltas van de Lidl. Hij bestudeert de kaart en bestelt een Zulte. De cafébaas legt uit dat Zulte niet meer wordt gebrouwen, maar dat het nog wel op de kaart staat. Het duurt een tijdje eer dit bij de landloper doordringt. Hij bestelt dan maar een gewoon pintje. De clochard staart ons doordringend aan, wij negeren hem. De andere stamgasten houden hem argwanend in het oog. Hij snuistert in beduimelde papieren die uit een gescheurde envelop komen. De vagebond rolt een sigaret, tabak van het type ‘fleur du matelas’. Dan legt hij zich neer op de zitbank. We krassen op, er dreigt onweer.

We beëindigen de wandeling, onderweg zingen we liedjes, maar we kunnen niet op de juiste teksten komen. Een liedje van Willem Vermandere speelt door mijn hoofd, Piere de beeste.
Maar als ik nu nog peize op Piere, de beeste;
Dan schiet er in mijn kop nog altijd de wens;
Der moesten der meer zijn lijk Piere de beeste;
Want dat was een kerel, dat was nog een mens.
 

13:03 Gepost door Confusius in Vrije tijd | Permalink | Commentaren (0) | Email dit |  Facebook |